|
[ << vorige ] NRC 18 september 1926 Henri Albers is te Parijs gestorven
in den ouderdom van zestig jaar. Een tijding, die het jongere
geslacht weinig zeggen zal, doch ontroerend moet zijn voor hen,
die zich de goede oude Nederlandsche Opera van De Groot en Van
der Linden herinneren. |
|
|
Kunst De 'Petit Parisien' meldt het overlijden van den operazanger Henri Albers. Voor het jongere geslacht zal deze tijding geen bijzondere emotie zijn, doch des te meer voor de ouderen onder ons, die dezen voortreffelijken kunstenaar hebben gekend en van zijn prestaties onvergetelijke herinneringen bewaren. Want Albers was niet alleen een zanger, begaafd met een zeldzaam mooi en uitmuntend geschoold orgaan, doch ook een veelzijdig en diep ontwikkeld kunstenaar, die zijn zang en spel wist te gebruiken als de voertuigen eener indrukwekkende uitbeelding; zang en spel waren bij hem saamgegroeid tot een harmonische eenheid en naar het innerlijk ontwikkeld. Dat maakte zijn vertolkingen van rollen als Rigoletto, Jago, Scarpia, e.a. zoo superieur. Een jaar geleden vierde Albers zijn veertig-jarig kunstenaarsjubileum. Bij die gelegenheid hebben wij in het kort aan zijn loopbaan herinnerd, die slechts voor een klein gedeelte over Nederland liep. Helaas - ons land kon wel een figuur als Albers voortbrengen, doch hem op den duur niet de omstandigheden bieden, waaronder zijn talent tot volle ontplooing kon komen. Zoo kwam hij eerst te Antwerpen en daarna spoedig te Parijs; hij werd Franschman en is het gebleven. Nog een enkele maal mocht men hem - dat is ook al weer heel lang geleden - hier als gast zien. Doch sindsdien hoorde men te onzent allen van zijn succesen in den vreemde. Het indertijd ook door ons geopperd denkbeeld, Albers in staat te stellen, zijn zangersjubileum ook in zijn geboorteland te vieren, is niet verwezenlijkt. Waarom het niet kon - wij zullen ons er thans niet in verdiepen. Wij kunnen nu allen een woord wijden van oprechte dankbaarheid aan de nagedachtenis van een groot kunstenaar, die trots alles toch ook een der onzen was. |
|
|
Albers' laatste optreden in Nederland viel in 1910, naar aanleiding van zijn vijfentwintigjarige zangersjubileum. Te Amsterdam zag en hoorde men hem als "Le Cheminiau", te 's-Gravenhage als "Scarpia". Bij die gelegenheid heeft hij onzen Parijschen correspondent een en ander van zijn loopbaan verteld, hetgeen thans nog belangwekkend genoeg is, om het hier weer te geven: "Van kind af aan heb ik
zin gehad in het toneel. Dat was helemaal niet naar den zin van
mijn ouders; mijn vader, een rechtzinnig Lutheriaan, had mij
liever een kalme aannemer zien worden, zooals hij zelf was, en
zag in zulk een planken-leven niets dan zonde en verdoemenis. "Twee jaar ben ik in den
'Salon' gebleven, en omdat ze daar wel gemerkt hadden dat ik
een goede stem had, lieten ze mij zooveel mogelijk rollen spelen
waarin wat te zingen viel. Toen begon De Groot met zijn Opera,
eerst nog weer een operette-gezelschap, en die wou me met alle
geweld hebben. Ik kon krijgen wat ik wilde, al was het tien gulden
in de week! .... daar heb ik toen allerlei operettes gezongen,
de 'Bettelstudent', 'Canard aux trois bees', hoe noemen jullie
het ook weer .... 'De eend met de drie snavels'. Met m'n Hollandsch
heb ik tegenwoordig wel wat moeite, vooral als ik het schrijven
moet. Ik ben langzamerhand zoo helemaal verfranscht! .... hier eindigt helaas het knipsel Op het 'Cimetière parisien'
te Saint Ouen bij Parijs is het stoffelijk overschot van Henri
Albers onder zeer groote belangstelling ter aarde besteld. Een
dichte menigte stond langs den weg geschaard en allen ontblootten
eerbiedig het hoofd toen de stoet voorbijging. Een overvloed
van kransen en bloemen dekte de baar. |
|
|