|
[ << baritons ]
|
|
|
Vlak voor zijn debuut in La Scala in Milaan werd Gorin in Calabrië geïnterneerd. Na zijn bevrijding kwam hij in 1944 naar Erets Jisraeel en speelde daar een belangrijke rol in de opbouw van de Israëlische opera. De bekende Israëlische componist Marc Lavry schreef voor hem de hoofdrol in zijn opera Dan Hasjomeer. In 1951 was Gorin in Nederland op doorreis naar New York waar hij in de City Centre Opera zou optreden. Hij zong een aantal gastvoorstellingen bij de Nederlandse Opera in Amsterdam en kreeg er een vaste aanstelling als eerste bariton. In 1962 kreeg Paolo Gorin de Nederlandse nationaliteit. Zijn debuut in Nederland maakte Gorin als Giorgio/vader Germont in Verdi's La traviata op 23 augustus 1951 in het Kurhaus te Scheveningen. Violetta werd gezongen door Louise de Vries, Alfredo door Chris Scheffer. Hij had hier een lange succesvolle carrière tot aan 1965, het jaar waarop de Nederlandse Opera ontbonden werd. Daarna trad hij nog regelmatig op als gast in de daarna opgerichte Nederlandse Operastichting. Zijn laatste optreden was als Frank in Strauss' Die Fledermaus op 28 augustus 1969 in de Stadsschouwburg te Amsterdam. Paolo Gorin zong ook in operavoorstellingen in het kader van het Holland Festival en was tevens een hooggewaarde concertzanger. Zijn belangrijkste operarollen waren Rigoletto, vader Germont in La Traviata, Posa in Verdi's Don Carlos, Renato in Un ballo in maschera, Scarpia in Tosca, Sharpless in Madame Butterfly, Gianni Schicchi van Puccini, Figaro in De barbier van Sevilla, Taddeo in Rossini's Italiana in Algeri, Guglielmo in Così fan tutte, Escamillo in Carmen, Zurga in Les pêcheurs de perles van Bizet, Wolfram in Tannhäuser en Tomsky in Pique Dame van Tschaikovsky. In 1960 werkte hij in Amsterdam mee aan de première van de opera Martin Korda van Henk Badings. Behalve in het serieuze repertoire was Paolo Gorin ook actief in het lichtere genre. Zo zong hij met zeer veel succes in de 60er jaren in de musical Anatevka de rol van Tevje in Düsseldorf, Hamburg en Berlijn. In 1969 werd hij cantor van de synagoge van Amsterdam. Reeds
vanaf eind 60er jaren begon Paolo/Paul Gorin de toenmalige cantor
Harry Ereira af en toe te vervangen. Gorins wijze van dawwenen/bidden
combineerde de bravoure van de opera met een gedegen kennis van
het Hebreeuws en een groot gevoel voor chazzanoet/joodse religieuze
muziek. Hij zou achttien jaar lang de Amsterdamse gemeente leiden met zijn prachtige stem en zijn warme nesjomme/bezieling. En niet alleen in Amsterdam zong hij; ook reisde hij regelmatig naar de kleinere gemeenten. Daarnaast was hij een onmisbare leraar voor de vele amateur chazzanim (chazan/cantor die de gebedsdienst leidt) die zowel in Amsterdam als in de andere LJGs (Levend Joods Geloof) de muzikale leiding van de diensten op zich namen. Paolo Gorin was een man die wel van een geintje hield. Erna Spoorenberg schreef in haar boekje - Daar lig je dan (1962) - het volgende over hem: " ... Wanneer ik 's morgens het theater binnenwandel
- in dit geval via de artisteningang van de Amsterdamse Stadsschouwburg
- en nog even op het mededelingenbord wil kijken in welk lokaal
mijn repetitie is... tien tegen één, dat ik een
stem achter mijn rug hoor, die zegt: 'Zo, kiend! Heb je die mop
al gehoord? Twee handelaars in ongeregeld ...' En dan volgt steevast
de beslist allerlaatste en allerbeste van de week. Paolo Gorin overleed op 1 april 1992 te Amsterdam. "... Een frappante datum trouwens want hij was een man die altijd een grapje of een mopje had...." Pino Gorin Bronvermelding: o.a. Levend Joods geloof nr. 2 2003, Josée Wolff; Kutch/Riemens Lexicon; Annalen van de Operagezelschappen. |
|
|
Wilma Driessen en Paolo Gorin tijdens
een TV-uitvoering in 1966 van |
|
|
Plaatopnames:MMS (hoogtepunten uit Il barbieri di Siviglia, hoogtepunten uit Rigoletto, met o.a. Anny Delorie), Saga (Hoogtepunten uit La Traviata met Virginia Zeani), Philips (Aus einem Totenhaus van Janácek) en Concert Hall (Masetto in een volledige uitvoering van Don Giovanni uit 1958). |
|
|
|