|
[<< terug naar biografie] |
|
Als bibliothecaris bij het Residentie Orkest, Den Haag 31-8-1948 |
|
Cornelis Schell ZIJN LEERJAREN Niet zonder veel tegenwerking is hij tot de muziek gekomen.
Zijn vader, uitbater van een hotel in Scheveningen, wilde van
zang of muziek niets afweten. Enkel zijn grootvader zou bijdragen
om de kunstzin van zijn kleinzoon te ontwikkelen. Die dweepte
met het bel canto' van Caruso en legde een verzameling aan van
diens fonoplaten. De kleine Cornelis had een fijn gehoor en,
tot grote pret van zijn grootouders, placht hij al de aria's
na te zingen. Maar de knaap voelde zich meer en tot de muziek aangetrokken en ging in het geheim bij Albert Van Raalte muziektheorie studeren. Zijn vader stond echter hoe langer hoe vijandiger tegenover die muzikale ambities. Straffen, oorvegen, het verscheuren van muziekoefeningen mochten nochtans niet baten en toen hij twintig jaar oud was, ging Cornelis bij Jaap Stromenberg, leraar aan net Conservatorium in Den Haag zang studeren. Tevens volgde hij de operaklas bij de begaafde professor Wallenstein. Was de huiselijke atmosfeer door tegenkanting en vijandelijke gezindheid erg deprimerend, dan waren sommige kunstgebeurtenissen van aard om de jonge musicus de nodige geestdrift tot volharding te bezorgen. Zo was het hem een feest, toen hij mocht mede zingen in het koor, bij een opvoering van Tristan en Isolde, waarvan Kirsten Flagstadt en Max Lorenz de titelrollen hielden. EEN GELUK MET EEN ONGELUK... Op mijn vraag of onze bas dan zijn zangstudie in Nederland
votooide, luidde het: |
|
Largo al factotum uit De barbier van Sevilla, 6 september 1963 |
|
- Welke waren uw eerste rollen? Van onze kunstredactie AMSTERDAM, vrijdag 22 April, 1961 De bas-bariton Cornelis Schell gaat De Nederlandse Opera" verlaten. Van l september af zal hij als eerste bas deel uitmaken van de Koninklijke Vlaamse Opera te Antwerpen en zal hij met de opera te Amsterdam nog slechts verbonden zijn door een gast-contract. Hiermee voegt Cornelis Schell zich in de rij van Nederlandse zangers, die in het buitenland zingen en in eigen land slechts als gast optreden: Mimi Aarden, Maria van Dongen, Cora Canne-Meyer, Marijke van der Lugt, Erna Spoorenberg, Marilyn Tyler, Theo Baylé, Guus Hoekman, Arnold van Mill, Hans WilBrink en Johan van der Zalm. Het spijt me, dat ik het Nederlandse publiek vaarwel moet zeggen, maar het werken bij De Nederlandse Opera" is zo moeilijk geworden, dat mij geen andere keus overblijft", zegt Cornelis Schell. Hij is nu twaalf jaar operazanger. Hij heeft het vak in Duitsland geleerd in een periode van zes jaar. Van 1956 tot 1958 zong hij reeds bij de opera te Antwerpen en op l september 1958 kwam hij naar Amsterdam met het idee om in eigen land carrière te maken. Van die carrière hier is niet te veel terecht gekomen. Steeds invallen DAARVOOR moet je als Nederlands zanger naar het buitenland'' zegt Cornelis Schell, die bij alle teleurstelling zijn goede humeur bewaart. Ik heb hier vele rollen gezongen, maar ik heb vrijwel uitsluitend gediend als zanger, die de rollen van anderen mocht overnemen. Buitenlandse gasten deden de première en een aantal voorstellingen erna en ik kon later invallen of soms ook helemaal niet, zodat alle moeite voor niets was geweest. Het publiek denkt in zo'n geval: zo'n invaller, dat kan niets zijn. Bovendien acht ik het een bezwaar, dat De Nederlandse Opera", ondanks zijn veelkoppige leiding, geen speelplan heeft. In Antwerpen is het speelplan nu al klaar tot en met 20 april 1962 en ik ga er twaalf grote rollen zingen. In Nederland heb ik het afgelopen jaar niets nieuws gedaan. Ik ben veertig jaar en ik werk uit roeping. Ik zou graag nog iets moois willen doen en geven. Maar, daar krijg ik hier geen kans voor. Het is me bij De Nederlandse Opera" wel gebeurd, dat ik in het drukste deel van het seizoen twee maanden lang geen voorstelling heb gehad. Dan krijg je het idee dat je je salaris als geschenk krijgt in plaats van dat je het verdient". Plannen Cornelis Schell houdt, behalve via zgn. gastcontract met de Opera, ook nog op andere manier muzikaal contact met Nederland: In november zingt hij in het Concertgebouw met het RK Hoofdstadkoor in het Requiem van Duruflé; het volgend jaar doet hij mee aan de Matthaus Passion van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. In mei 1962 heeft hij een liederenrecital voor de BBC en hij is in onderhandeling met de opera van Praag, waar hij een van zijn glansrollen, Mefisto, in het Frans hoopt te zingen. Radio-luisteraars kunnen Cornelis Schell horen in.... een hoorspel over een jonge talentvolle zanger, die met eindeloos veel moeite erin slaagt bij een opera te komen. Het is De Liederen van een reizend gezel" van Karl Lans. Schell heeft hierin een acteerrol en hij zingt er liederen en aria's in. Het hoorspel heeft vier delen, die worden uitgezonden op 14, 21 en 28 mei en op 5 juni. Operazanger vestigd zich in Venlo VENLO, 5 mei. Binnen enkele maanden vestigt zich in
Venlo de bas-bariton Cornelis Schell uit Amsterdam, tot voor
kort eerste solist bij de Nederlandse Opera en onlangs benoemd
als eerste bas en bas-buffo bij de Vereinigten Stadtische
Bühnen te Krefeld - Mönchengladbach. Deze benoeming
gaat in op 16 augustus. In juli werkt hij mee aan de Musikfestspiele
te Eutin, de geboorteplaats van Carl Maria von Weber. Hij zal
daar partijen zingen in 'Der Freischütz' van Weber en in
'Don Giovanni' van Mozart. Zijn eerste rol in Krefeld-Mönchengladbach
is die van baron Ochs in 'Der Rosenkavalier' van Richard Schell werd in 1920 in Den Haag geboren. Hij bleek een natuurstem te bezitten en kreeg zijn eerste opleiding bij Albert van Raalte en Willem Ravelli. Later werd hij leerling aan het koninklijk conservatorium in Den Haag en kreeg hij drie jaar later zang en solfège-onderricht van prof. dr. Paul Neumann van de Staatliege Singakademie in München. Een van zijn eerste engagementen kreeg hij aan de Koninklijke Opera van Gent, waar hij drie jaar optrad. In 1950 werd hij benoemd aan de Stadtische Bühne in Munster. Zijn volgende werkterrein lag in Gelsenkirche (1953-1956), en van daar uit had hij gastrollen bïj de opera's in Oldenburg, Koblenz en Hannover. In 1956 werd hij geëngageerd bij de opera van Antwerpen, waar hij succesrollen zong in opera's van Delibes, Moussorgsky en Gounod. Tenslotte werd hij in '58 benoemd bij de Nederlandse Opera in Amsterdam waar hij bleef tot aan de liquidatie daarvan vorig jaar (1965, J.L.). In de tussenliggende jaren ontwikkelde hij zich naast operazanger ook tot liederenzanger en verzorgde hij liederenavonden in Duitsland en Nederland. Sinds '62 gaf hij samen met zijn echtgenote, de pianiste Marijke Deirkauf. vele concerten van volksliederen 'in 't kader van de Stichting Jeugd en Muziek, voor talrijke scholen in ons land. Hij trad verder op voor radio en televisie (onder meer met het Kunstmaandorkest), en als concertzanger gaf hij eveneens vele uitvoeringen. Ook heeft hij vele malen de Christuspartij in de Mattheus Passion van Bach vertolkt. Zijn opera-repertoire omvat (momenteel, J.L.) 77 rollen in 5 talen en zijn overige repertoire 32 oratoria's en 287 liederen in 9 talen. Toen hij onlangs polshoogte kwam nemen in Venlo heb ik met hem kennis gemaakt. Hij vertelde mij: ..Ik zie mijn beroep als zanger als een soort missie. Ik heb een gave gekregen die ik meen te moeten doorgeven aan anderen. Mijn zwak voor liederen kunt u zo verklaren dat ik als operazanger meestal gedwongen ben bestaande stelregels te volgen. Je wordt in een bepaald soort vorm gedreven. Bij liederen is dat niet zo, daar kan ik mijn eigen inbreng aan meegeven. Het is mijn overtuiging dat ik in deze materialistische tijd de jeugd vertrouwd moet maken met het feit dat er bijvoorbeeld naast beatmuziek ook andere muziek is, die meer diepte en inhoud heeft. Ik geloof ook, dat er jongeren zijn die hier nog voor openstaan, omdat ik dat zo ervaren heb tijdens concerten die ik voor de schooljeugd heb gegeven". Zo heeft Schell een gevarieerd liederenprogramma opgebouwd, waarin tegelijk de instructie een bepaalde plaats heeft gekregen. Juister gezegd heeft hij drie verschillende afgeronde programma's: één van kunst- en volksliederen uit de Westeuropese landen Hij zegt daarover: "Deze volksliederen zijn meestal bewerkingen door componisten. Ik heb er daar een aantal van gebundeld en tijdens een uitvoering vertel ik iets over de componist en 't land waaruit het lied afkomstig is. Ik probeer verder het idioom ervan in- taal en muziek duidelijk te maken. Voor mij is de volksmuziek een prettige overgang van de lichte muziek naar het romantisch-klassieke repertoire". Zijn tweede programma bestaat uit liederen van Chopin, 'n praktisch onbekend opus uit het oeuvre van deze componist. Het zijn liederen die Chopin in Polen en Parijs schreef in de jaren 1829-1832. Deze liederen koppelt Schell aan volksliederen in bewerkingen van Dvorak en aan volksliederen uit de Balkanlanden. Het derde programma bestaat uit liederen uit Noord- en Latijns-Amerika, dat begint met de 'First American song' op originele Indiaanse(Sioux) muziek. Ter opluistering van dit programma beschikt hij over dia's en originele bandopnamen uit Latijns-Amerika, waarop men authentieke muziekinstrumenten uit dit werelddeel hoort bespelen. Schell hoopt straks in Venlo en omstreken deze interessante
en boeiende liederenavond te kunnen geven. Hij heeft reeds contacten
met scholen gelegd, zodat ook de jongeren in deze streek van
zijn kunst kunnen kennisnemen. |
|
|
|
(p) 2006 Dutch Divas |