| [ << vorige ] |
biografie deel één |
|
bronvermelding: "Willem Mengelberg Dirigent Conductor",
Haags Gemeente Museum, 1995. MILIEU EN OPLEIDING
|
Willem
Mengelberg. Luzern 1895Op 28 maart 1871 werd Willem (eigenlijk Joseph Wilhelm) Mengelberg te Utrecht geboren. Zijn ouders waren op 14 februari 1866 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk werden tussen 1867 en 1890 zestien kinderen geboren: acht zoons en acht dochters, van wie er enkele al jong stierven. Willem was het vierde kind. Net als zijn broers werd hij ingewijd in de ambachten die in de ateliers werden beoefend, maar zijn natuurlijke muzikaliteit kreeg de overhand en mettertijd zagen de ouders in dat aan een professionele muzikale vorming niet viel te ontkomen. Bij het doornemen van de vertakkingen van de families Mengelberg en Schratten-Holz valt trouwens op dat in beide geslachten veel artistiek talent voorkwam. Aan het conservatorium van Keulen werd het fundament voor Mengelbergs carrière gelegd. Hij ontwikkelde zich als een ijverig en talentvol leerling: hoofdvakstudent piano bij Isidor Seiss (1840-1905), die op zijn beurt gevormd werd door Friedrich Wieck, de vader van Clara Schumann, en hoofdvakstudent compositie bij Dr. Franz Wullner (1832-1902). Deze was ook zijn leraar voor direktie, terwijl Mengelberg muziektheorie en compositie studeerde bij Gustav Jensen. Hij studeerde met groot succes en sloot zijn opleiding af met schitterende onderscheidingen in pianospel, compositie en direktie. De getuigschriffen van zijn leraren Wullner en Seiss wijzen het sterkst in de richting van een carrière als pianist. Later verklaarde Mengelberg: "Veel ben ik mijn leraren van het Keuls Conservatorium verschuldigd en als ik ooit een goed musicus word dank ik dat aan mijn leraren Franz Wulllner en Isidor Seiss (. .), leraren van een zeldzame bekwaamheid, zoals je die maar zelden tegenkomt". Vanaf 1892 werkte Mengelberg te Luzern, waar hij zijn veelzijdige talenten kon ontplooien: hij leidde er koren, een orkest, gaf leiding aan een muziekschool, had pianoleerlingen en gaf met zijn ensembles concerten. Ook vond hij er nog tijd om te componeren. Het geheel overziend kan over zijn activiteiten in Luzern gezegd worden dat hij er een drukke betrekking had waar hij uitstekend ervaring kon opdoen als koor- en orkestdirigent. Dit laatste deel van zijn werkzaamheden stelde bescheiden eisen, in vergelijking met de omvang van het werk dat hij in Amsterdam zou gaan verrichten. Gemiddeld dirigeerde hij één orkestconcert per maand. De vormende werking was hier, gelet op zijn verdere toekomst, het grootst en hij vergrootte deze nog door zijn eigen leergierigheid: "Toen ik als jong kapelmeester in Luzern al gauw merkte, dat ik verschillende instrumenten niet kon voorspelen, heb ik direct ingezien, dat dit een onduldbare leemte was. Daarna heb ik bij alle orkestmusici les genomen, om de greepen van hen te leeren." |
|
BENOEMING TE AMSTERDAM
|
| Nadat Mengelberg een aantal jaren met het Concertgebouworkest
had gewerkt begon hij naam te maken en kwamen langzamerhand verzoeken
binnen om elders gastdirekties te vervullen. Toen het
Concertgebouworkest in 1903 in Londen aan een Strauss-festival meewerkte
merkte de Sunday Spectator op dat het misschien wel beter geweest was
als Mengelberg nog wat meer en Strauss wat minder werken had
gedirigeerd. Een belangrijke invitatie kreeg Mengelberg toen men hem
vroeg in november 1905 in New York het orkest van de Philharmonic
Society te komen dirigeren. Na zijn optreden vond de Musical Courier
zijn uitvoering van Ein Heldenleben de beste die er tot dat moment in
New York gegeven was, inclusief die van Strauss zelf. Vanaf die tijd lag
de wereld voor Mengelberg open. In 1907 dirigeerde hij voor het eerst in
Parijs en datzelfde jaar nam hij een benoeming aan tot dirigent van de
Frankfurter Museumsgesellschafi, waar hij een jaar later ook de
beschikking kreeg over een koor vergelijkbaar met dat van Toonkunst in
Amsterdam. In 1908 dirigeerde hij in Rome, vanaf 1909 enkele jaren
achtereen concerten in Moskou en St. Petersburg, in 1910 in
verschillende Italiaanse steden en in 1911 in Londen. Vanwege zijn
verplichtingen in Amsterdam en Frankfurt moest hij echter veel
invitaties afslaan. Meermalen werd Mengelberg door andere orkesten benaderd om vaste (gast-) dirigent te worden. Zo werden er in 1910 pogingen ondernomen door het orkest van de Philharmonic Society in New York, waaraan Mahler toen verbonden was, om hem als vaste gastdirigent te engageren. In het algemeen stelde Mengelberg daarbij hoge financiële eisen en bedong hij honoraria als andere veel gevraagde dirigenten uit die dagen, zoals Arthur Nikisch en Wladimir Safonoff. In de periode 1921 tot 1930 was Mengelberg ongeveer gedurende de helft van het concertseizoen in New York werkzaam. Hij slaagde er in de in 1922 gefuseerde New York Philharmonic Orchestra en National Symphony Orchestra in enkele jaren tot een perfect ensemble te trainen. Zijn spectaculaire opname uit 1928 met dit orkest van Ein Heldenleben van Richard Strauss legt daar ondubbelzinnig getuigenis van af. Vanaf 1927 was ook Toscanini aan het orkest verbonden. Een opvallend detail is dat toen Toscanini ook voor het orkest kwam te staan Mengelbergs programma's aanzienlijk avontuurlijker werden. Toch bekommerde Mengelberg zich in New York al voor Toscanini's komst bij het orkest veel meer om het werk van Amerikaanse componisten dan Toscanini ooit zou doen. In New York bracht hij 'Uraufführungen' van werken van Kurt Atterberg, Nicolai Berezovski, Simon Bucharof, Alfredo Casella, Gaspar Cassadó, Darius Milhaud, Ottorino Respighi, Ernest Schelling, Bernard Wagenaar en Emerson Withorne. Naast het beproefde symfonisch repertoire bracht hij er ook tal van New Yorkse of Amerikaanse eerste uitvoeringen. Namen van componisten als Ernst Bloch, James Dunn, Manuel de Falla, Pierre Ferroud, Paolo Gallico, Samuel Gardner, Heinrich Gebhard, Rubin Goldmark, Henry Hadley, Howard Hanson, Heinrich Kaminsky, Riccardo Pick-Mangialli, John Powell, Henri Rabaud, Lazare Saminsky, Karol Szymanowsky, Germaine Tailleferre, Alexandre Tansman, Deems Taylor, George Templeton-Strong en Hermann Hans Wetzler geven aan dat Mengelberg over de jaren verspreid met een zekere regelmaat het repertoire vernieuwde. Veel van dit orkestrepertoire voerde Mengelberg uiteraard ook in Amsterdam uit. Als gevolg van de onvermijdelijke rivaliteit die tussen aanhangers van beide dirigenten ontstond dirigeerde Mengelberg in 1930 voor het laatst het orkest in New York. De voorgenomen Europese tournee van het orkest van de Philharmonic Society, waarvoor Mengelberg zich jarenlang had ingezet, werd dat jaar ondernomen. Toscanini oogstte echter de lauweren van de successen omdat hij alle concerten dirigeerde. |
|
Er ontstonden in de loop der jaren vanzelfsprekend talrijke vriendschappen met de componisten en uitvoerend musici met wie Mengelberg omging. Gustav Mahler, Richard Strauss, Alphons Diepenbrock, Ernest Schelling en Alexander Siloti zijn slechts enkele namen van deze vrienden. Uiteraard rekenden velen uit de Amsterdamse gegoede milieus Willem Mengelberg graag tot hun vriendenkring. Dat waren dan vooral muziekliefhebbers en bewonderaars van de dirigent. Inderdaad onderhield Mengelberg met velen onder hen ook hechte vriendschapsbanden zoals met Charles Boissevain (en zijn verwanten), Jo Beukers-Van Ogtrop en Ellie Bysterus Heemskerk, vrienden soms van het eerste uur, maar vooral vrienden voor het leven. Daartoe behoorden ook bestuursleden van het Concertgebouw, zoals leden van de familie De Marez Oyens, H. de Booy en Mr. R. van Rees. |
De
correspondentie tussen Mahler en Mengelberg laat zien dat er na hun
professionele contact spoedig ook een persoonlijke band ontstond. Mahler
was zeer begaan met het lot van zijn Nederlandse collega, of het nu ging
om Mengelbergs successen in Amerika, of om de afloop van het beruchte
Concertgebouwconflict in 1903-1904. Meermalen spreekt het medeleven van
Mahler uit zijn brieven. Hij wist maar al te goed hoe moeilijk het was
om als orkestleider dagelijks met zo 'n zeventig a tachtig man om te
gaan. Vanuit die lotsverbondenheid is het amusant te lezen dat Mahler de
cellist Isaac Mossel wel wilde overnemen in zijn Weens orkest toen
Mengelberg op het hoogtepunt van het conflict het ontslag van Mossel geëist
had. Mahler was er van overtuigd dat hij Mossel wel klein kon krijgen.Zo'n persoonlijke band ontstond er ook met Richard Strauss: hij werd door Mengelberg enthousiast gemaakt voor het verzamelen van glaswerk en eglomisées (achterglasschilderkunst) en deelde met hem de belangstelling voor antiek en voor oude (schilder-)kunst. Met Alphons Diepenbrock ontwikkelde Mengelberg in de loop der jaren een vriendschap die uiteraard gevoed werd door hun muzikale relatie, omdat Mengel-berg nu eenmaal met grote regelmaat zijn muziek uitvoerde, maar die ook in het persoonlijke vlak groeide ondanks het feit dat Diepenbrock aanvankelijk niet zo goed overweg kon met Mengelbergs persoonlijkheid. Voor de koperen bruiloft van Willem en Tilly Mengelberg-Wubbe op 5 januari 1913 componeerde hij in december 1912 het Bruiloftslied 'In het kille, ruige, hooge Noorden', op woorden van J. Beukers. De pianist Alexander Siloti, een leerling van Liszt, maakte in november 1897 onder leiding van Mengelberg zijn debuut in Nederland. Toen deze vanaf 1909 enkele seizoenen achtereen in Rusland gastdirekties vervulde trad hij op in de serie van Siloti te St. Petersburg en logeerde hij bij hem. Voor- en nadien correspondeerde Siloti met regelmaat met zijn Nederlandse vriend. Ernest Schelling was een begaafd pianist, die zijn opleiding hij Paderewki had gekregen. Regelmatig engageerde Mengelberg Schelling als solist waardoor er een hartelijke vriendschap ontstond. Net als Mengelberg had Schelling in Zwitserland een buitenhuis waar hij graag zijn vrienden ontving: Mengelberg was er meermalen te gast. Dikwijls heeft Mengelberg partituren van Schelling tot klinken gebracht in Amsterdam zowel als in New York. |
|
|
|
(p) 2001 Dutch Divas |