|
Aaltje Noordewier-Reddingius Das is nicht eine Sängerin wie andere, das ist ein Phänomen. *) *) Dr. Leopold Schmidt |
|||
|
[ << sopranen ] ![]() |
|||
|
,, In de rol van Godelieve heeft zij zich nu in België
eenen onvergankelijken roem verworven. Zij bezit eene zilveren
stem, wier klanken alle klaar klinken als kristal; 't is eene
nachtigaal! En die zuivere klanken zijn nog verschoond door eenen
fluwelen, donzigen ,,timbre", die een gansch bijzondere
aangename malschheid en molligheid er aan bijzet. Zij is ook
hare stem volkomen meester: elke uitgalming is gemeten, elke
lettergreep duidelijk en juist. Zij heeft die rol met het passend
gevoel vertolkt, en dikwijls liep er door gansch het publiek
eene ritseling van bewondering: nooit hebben wij eenen schonere
stem ,dan de hare, noch hare stem zelve met meer volmaaktheid
horen klinken: er lag iets bovenaardsch in die zang. De melodieën
,,Kindren weest niet zoo neerslachtig" en ,,neem mij terug"
hadden algemeene bewondering opgewekt; doch toen zij op onbepaalde
manier de laatste woorden blies ,,mij is de dood geen hinderlaag"...
dan was er onder gansch het publiek eene onbeschrijfelijke aandoening
... de adems werden opgehouden, geen oog verpinkte totdat de
laatste lettergreep - alsof het reeds een hemelsche klank was
- wegstierf...." ,,Diese Stimme hat in der Vollendung, was eine Stimme nur besitzen kannh, Kraft, Farbe, Glanz. Wie von Stahl, und doch wunderbar weich bis in die letzte Höhe kommen die Töne, der Vortragstil ist von einer edlen Grösze, die kaum zu übertreffen ist". ( Een criticus in Heidelberg). |
|||
|
Voor zangeressen zijn de eerste stappen even moeilijk als voor andere mensen. De mezzo sopraan Julia Culp vertelde dat ze in de klas niet mee mocht zingen "omdat ze een bromstem had". Nog eigenaardiger zal het de oud-leerlingen van het Amsterdams Conservatorium voorkomen, dat de achttienjarige Aaltje Reddingius, die zich op 1 september 1886 - haar verjaardag - als leerling aan het toen nog maar twee jaar bestaande conservatorium kwam aanmelden voor het hoofdvak zang, voorwaardelijk werd toegelaten met een proeftijd van enige maanden. Toen de direkteur, Frans Coenen, en de zangleraar, Johan Messchaert, het dochtertje van de jong gestorven dominee uit Deurne - Aaltje was toen past 8 jaar oud - hadden horen voorzingen, twijfelden zij sterk aan de mogelijkheden. Nog nooit hadden zij een dergelijke kleine stem aan het conservatorium aangenomen. Wel was de zuiverheid verrassend en ook meende Messchaert aan de eigenaardig, glanzende klank van een enkele toon iets bijzonders te horen.De kleine stem waarmee Aaltje Reddingius zich in Amsterdam kwam presenteren was aan de omstandigheid te wijten, dat zij vele jaren met een zieke moeder die aan astma leed, samen woonde. De kinderen moesten in huis altijd gedempt spreken en ook als Aaltje voor haar plezier liedjes zong deed zij dat automatisch met halve stem. Maar drie maanden hard werken onder Messchaert bracht daar wel verandering in. Zij werd van haar angst voor het voluit zingen en de angst voor de hoogte bevrijd, zodat haar hoge sopraan, haar "engelenstem" zich kon ontwikkelen tot het hoge niveau, dat zij gedurende lange tijd heeft kunnen handhaven. |
|||
|
|||
|
Mengelberg had een bui waarin hij alles anders van haar wilde
hebben. Herhaaldelijk onderbrak hij haar zang en wilde hij het
nu eens zus, nu eens zo. Tenslotte begon het Aaltje te vervelen
en ten aanhoren van koor en orkest zei zij vriendelijk maar beslist: Het zou misleidend zijn, zich van de kwaliteiten van haar zangkunst een indruk te willen vormen uit de grammofoonplaten die zij in 1926 in Amerika en in 1929 in Londen, kort voor haar 61ste verjaardag, maakte. De techniek van de in New York gefabriceerde platen wist met een stem die een grote ruimte nodig had nog geen raad en ook de werken die zij met Anthon van der Horst als organist, onder gunstiger omstandigheden, kon opnemen, doen de weergave van de - zo dikwijls bovenaards genoemde - eigen aard van het timbre niet voldoende uitkomen. Werkkracht had ze te over. Niet zelden vroeg zij aan mede solisten om eem extra repetitie te houden, de perfectie in de samenzang ging haar zeer ter harte. Met haar leermeester - de bariton Johan Messchaert - zong zij mee in het a cappellakoor van Daniël de Lange, dat nog geen twintig solisten telde. In 1893 was Aaltje Reddingius in het huwelijk getreden met
Michiel Nassou Noordewier, kunstschilder en tevens doctor in
de klassieke letteren, en als zodanig collega van de componist
Alphons Diepenbrock, met wie zij al in een vroeg stadium in contact
kwam. Het echtpaar kreeg twee zoons: Hendrik Jan Noordewier,
geboren op 5 mei 1894 in Den Haag en Michiel Noordewier, geboren
op 28 juni 1903 te Hilversum. De jong gestorven Michiel - fluitist
bij het Concergebouw Orkest - kunt u nog nog horen als
begeleider van zijn moeder bij de tweede serie van haar plaatopnamen. In de eerste jaren na haar eindexamen trad Aaltje veel op in de concerten van mannenkoren. Zij leerde het land - en het land haar - goed kennen. Complete liederenavonden vond zij niet op haar weg liggen. Liever zong zij bij het sextet van de Concertgebouwblazers. Ook had ze niet de ambitie bij de opera te gaan. Bij een enkele Senta-rol (Wagner) - in concertvorm gegeven - is het gebleven. Wel heeft de familie Wagner haar meermalen gevraagd in Bayreuth te komen zingen. Cosima Wagner had eens een optreden van haar bijgewoond en zei toen, nog nooit een zangeres te hebben gehoord, die haar zo geschikt leek voor de rollen van Elisabeth, Elsa en zelfs Brünnhilde, als zij. Door het bezoek, dat ze als eerste sopraan van het Nederland vertegenwoordigende ensemble aan een wereldtentoonstelling voor muziek en theater in Wenen bracht, maakte zij kennis met de stad, waar men haar daarna herhaaldelijk uitnodigde. Toen de oude Eusebius Mandyczewsky, als archivaris van de Gesellschaft der Musikfreunde, kort voor zijn dood een paar jonge Hollanders rondleidde, vroeg hij belangstellend hoe het met mevrouw Noorderwier ging. |
|||
|
Het trio Aaltje Noordewier - Pauline de Haan - Anton Verhey
Toen Meschaert het vocaal kwartet niet langer kon volhouden (hij kreeg het te druk met optredens elders), hebben Aaltje Noorderwier en Pauline de Haan als duo, samen met de vermaarde organist Anton Verhey, nog vele jaren kerkconcerten gegeven. Van Bachs passiemuziek en cantates had zij een diepgaande studie gemaakt, maar ook componisten als Ravel, Roussel, Milhaud, Caplet en Diepenbrock interesseerden haar. Zoals Pauline de Haan, die van Diepenbrock de meeste soli voor altstem voor het eerst gezongen heeft, zo heeft Aaltje Noorderwier de meeste premieres van Diepenbrocks sopraanpartijen op haar naam staan. Beide traden vele jaren naast elkaar op, een samenwerking die op diep wederzijds respect was gebaseerd. In 1913 werden zij tot hun verbazing samen voor een muziekfestival in Leeds uitgenodigd. Het bleek dat Arthur Nikisch die er het 'Requiem' van Verdi zou dirigeren geen risico's met de moeilijke ensembles wilde nemen en zijn komst van de uitnodiging aan beide zangeressen afhankelijk had gesteld. Door familie omstandigheden kwam hieraan een eind voor Pauline de Haan. Kerkconcerten bleef Aaltje Noorderwier geven samen met Johan Wagenaar, De Wolf, Phons Dutch, George Robert, Anthon van der Horst en anderen. |
|||
|
Het door Georg Rueter geschilderde portret van Aaltje Noorderwier-Reddingius hangt in de Solistenfoyer. Aaltje Noordewier is in haar woonplaats Hilversum in haar woning Nieuw-Deurne op 6 april 1949 overleden. Haar echtgenoot Michiel was haar al op 14 juni 1942 voorgegaan. De nazaten van Aaltje Noordewier, kinderen en kleinkinderen van haar oudste zoon Hendrik Jan wonen allen in de Verenigde Staten. Bach, Cantate 151
|
|||
|
(p) 2009 Dutch Divas |