|
Aaltje Noordewier-Reddingius Das is nicht eine Sängerin wie andere, das ist ein Phänomen. *) |
|
[ <<
sopranen ]
1900, uit de dagboeken van Cornélie, barones van Wassenaer, geb. barones van Boetzelaer (1868-1916), dame du palais van koningin Wilhelmina. ,, In de rol van Godelieve heeft zij zich nu in België eenen onvergankelijken roem verworven. Zij bezit eene zilveren stem, wier klanken alle klaar klinken als kristal; 't is eene nachtigaal! En die zuivere klanken zijn nog verschoond door eenen fluwelen, donzigen ,,timbre", die een gansch bijzondere aangename malschheid en molligheid er aan bijzet. Zij is ook hare stem volkomen meester: elke uitgalming is gemeten, elke lettergreep duidelijk en juist. Zij heeft die rol met het passend gevoel vertolkt, en dikwijls liep er door gansch het publiek eene ritseling van bewondering: nooit hebben wij eenen schonere stem ,dan de hare, noch hare stem zelve met meer volmaaktheid horen klinken: er lag iets bovenaardsch in die zang. De melodieën ,,Kindren weest niet zoo neerslachtig" en ,,neem mij terug" hadden algemeene bewondering opgewekt; doch toen zij op onbepaalde manier de laatste woorden blies ,,mij is de dood geen hinderlaag"... dan was er onder gansch het publiek eene onbeschrijfelijke aandoening ... de adems werden opgehouden, geen oog verpinkte totdat de laatste lettergreep - alsof het reeds een hemelsche klank was - wegstierf.... "Deze woorden werden in een Belgisch blad geschreven naar aanleiding van Tinel's ,,Godelieve" (Leuven 1901). |
|
,,Diese Stimme hat in der Vollendung, was eine Stimme nur besitzen kannh, Kraft, Farbe, Glanz. Wie von Stahl, und doch wunderbar weich bis in die letzte Höhe kommen die Töne, der Vortragstil ist von einer edlen Grösze, die kaum zu übertreffen ist". ( Een criticus in Heidelberg.)
|
|
Haar pianospel, dat zij in de woonplaatsen waarheen het vaderloze gezin zich achtereenvolgens had begeven, in Helmond en in Arnhem (bij de dirigent, organist en violist Meyroos) had ontwikkeld, stond echter op een behoorlijke hoogte, zodat zij direkt bij pianoleraar De Pauw kon komen. Als hoofdleraar piano komt zijn naam in de levensbeschrijvingen van tientallen vooraanstaande Nederlandse musici voor. Aaltje Reddingius is bij hem blijven doorstuderen, ook toen de zangstudie hoofdzaak was geworden. Zij heeft het tot het vierde pianoconcert van Beethoven gebracht. De begeleiding van de liederen die zij zelf of met haar leerlingen instudeerde, heeft zij tot op hoge leeftijd zelf op zich kunnen nemen. Een tijdlang heeft ze er over nagedacht viool te gaan studeren en ook heeft zij een blaasinstrument willen bespelen. Alhoewel zij algemeen als de ideale oratoriumzangeres werd beschouwd, lag eenzijdigheid haar niet. Men kende haar jarenlang vooral als de sopraan in Bachs Matthäus-Passion, in de jaarlijkse uitvoeringen met Mengelberg, waar zij alleen door ziekte een enkele keer ontbrak. Jammer genoeg is van die vertolkingen nooit iets vastgelegd. Groot was ook de invloed van Mengelberg op haar prestaties. Mengelberg heeft met zijn orkest altijd gezocht naar de dezelfde perfectie die zij in haar zingen nasteefde. Hun beider leuze was: nooit tevreden, altijd beter. Van hem heeft zij zonder twijfel enorm veel geleerd. Men heeft haar vaak gevraagd of zij het in alle opzichten met zijn opvattingen eens was. Het was uiteraard voor haar zeer moeilijk om hier een antwoord op te geven. Stellig haddden zij hierover meermalen verschil van opvattingen. Het volgende voorval tijdens een repetitie te Amsterdam is kenmerkend voor de verhouding tussen beide kunstenaars: Mengelberg had een bui waarin hij alles anders van haar wilde
hebben. Herhaaldelijk onderbrak hij haar zang en wilde hij het
nu eens zus, nu eens zo. Tenslotte begon het Aaltje te vervelen
en ten aanhoren van koor en orkest zei zij vriendelijk maar beslist: Het zou misleidend zijn, zich van de kwaliteiten van haar zangkunst een indruk te willen vormen uit de grammofoonplaten die zij in 1926 in Amerika en in 1929 in Londen, kort voor haar 61ste verjaardag, maakte. De techniek van de in New York gefabriceerde platen wist met een stem die een grote ruimte nodig had nog geen raad en ook de werken die zij met Anthon van der Horst als organist, onder gunstiger omstandigheden, kon opnemen, doen de weergave van de - zo dikwijls bovenaards genoemde - eigen aard van het timbre niet voldoende uitkomen. Werkkracht had ze te over. Niet zelden vroeg zij aan mede solisten om eem extra repetitie te houden, de perfectie in de samenzang ging haar zeer ter harte. Met haar leermeester - de bariton Johan Messchaert - zong zij mee in het a cappellakoor van Daniël de Lange, dat nog geen twintig solisten telde. Door het bezoek, dat ze als eerste sopraan van het Nederland
vertegenwoordigende ensemble aan een wereldtentoonstelling voor
muziek en theater in Wenen bracht, maakte zij kennis met de stad,
waar men haar daarna herhaaldelijk uitnodigde. Toen de oude Eusebius
Mandyczewsky, als archivaris van de Gesellschaft der Musikfreunde,
kort voor zijn dood een paar jonge Hollanders rondleidde, vroeg
hij belangstellend hoe het met mevrouw Noorderwier ging. In 1893
was Aaltje Reddingius in het huwelijk getreden met Michiel Noorderwier,
kunstschilder en tevens doctor in de klassieke letteren, en als
zodanig collega van de componist Alphons Diepenbrock, met wie
zij al in een vroeg stadium in contact kwam.
|
|
Het trio Aaltje Noordewier - Pauline de Haan - Anton Verhey
Toen Meschaert het vocaal kwartet niet langer kon volhouden, hebben Aaltje Noorderwier en Pauline de Haan als duo, samen met de vermaarde organist Anton Verhey, nog vele jaren kerkconcerten gegeven. Van Bachs passiemuziek en cantates had zij een diepgaande studie gemaakt, maar ook componisten als Ravel, Roussel, Milhaud, Caplet en Diepenbrock interesseerden haar. Zoals Pauline de Haan, die van Diepenbrock de meeste soli voor altstem voor het eerst gezongen heeft, zo heeft Aaltje Noorderwier de meeste premieres van Diepenbrocks sopraanpartijen op haar naam staan. Beide traden vele jaren naast elkaar op, een samenwerking die op diep wederzijds respect was gebaseerd. In 1913 werden zij tot hun verbazing samen voor een muziekfestival in Leeds uitgenodigd. Het bleek dat Arthur Nikisch die er het Requiem van Verdi zou dirigeren geen risico's met de moeilijke ensembles wilde nemen en zijn komst van de uitnodiging aan beide zangeressen afhankelijk had gesteld. Door familie omstandigheden kwam hieraan een eind voor Pauline de Haan. Kerkconcerten bleef Aaltje Noorderwier geven samen met Johan Wagenaar, De Wolf, Phons Dutch, George Robert, Anthon van der Horst en anderen. |
|
Het door Georg Rueter geschilderde portret van Aaltje Noorderwier-Reddingius hangt in de Solistenfoyer. Bach, Cantate 151
|
|
(p) 2007 Dutch Divas |